Hoofdstuk 19
==
Als Lou een kruiswoordpuzzel maakte en ze kon niet op het juiste woord komen, ging ze vaak iets heel anders doen. Meestal kwam de oplossing zomaar bij haar op, als ze het totaal niet verwachtte. Misschien moest ze nu dezelfde strategie toepassen, dan zou ze vanzelf een manier verzinnen om haar hernieuwde vriendschap met Deb bespreekbaar te maken.
Vandaar dat ze, nadat ze afscheid had genomen van Deb, besloot om werk te maken van de katrollen voor haar houten droogrek. Ze wist een houthandel aan de andere kant van de stad, waar ze vermoedelijk niet kon krijgen wat ze zocht, maar misschien hadden ze een bruikbare tip voor haar.
‘U moet bij een ijzerhandel wezen,’ zei de eigenaar, die ouderwetse bakkebaarden had en er eerder uitzag als een slager dan als een houthandelaar. ‘IJzerhandel Tub is de beste voor dat soort spul.’
‘Waar is dat?’
‘Townend. Weet u waar Sint-William Yard is?’
‘Naast de oude conservenfabriek?’ probeerde Lou.
‘Helemaal goed, meissie. Daar is het. Die kunnen je helpen.’
‘Bedankt,’ zei Lou, niet alleen omdat hij haar de weg had gewezen, maar ook omdat hij haar ‘meissie’ had genoemd. Helaas kwam dat tegenwoordig nog maar zelden voor.
==
In Townend viel weinig te beleven, afgezien van de graffiti. Ooit was het een levendige wijk geweest, maar de bedrijven waren inmiddels naar de andere kant van de stad verhuisd. De oude conservenfabriek was gesloten, hoewel het gebouw er nog stond. En dat mocht een wonder heten – een fikse storm en het zou omvallen. Lou had nooit geweten dat hier een ijzerhandel zat, maar ze was dan ook nog nooit aan de achterkant van het gebouw geweest.
Tot haar verbazing was er een groot parkeerterrein dat vol stond met vrachtwagens, bestelwagens en auto’s. Er was een rij oude gebouwen, met zo te zien vier winkelruimtes. De twee ruimtes aan de rechterkant waren gesloten, maar ernaast was een zo te zien vrij groot truckersrestaurant. ma’s café stond er op het bord aan de gevel, en Lou kreeg de indruk dat het stampvol zat. In het laatste pand was de ijzerhandel gevestigd – heel erg dickensiaans, met in kleine ruitjes verdeelde ramen en een zachtjes wiegend uithangbord met de naam van de winkel erop: ijzerhandel t.u.b.
Lou duwde de deur open en er rinkelde een bel. Het leek wel of ze terug was gegaan in de tijd en in de schatkamer van Aladdin was beland, met planken van de vloer tot aan het plafond, ontelbare laden en apothekerskasten.
‘Ik kom er zo aan!’ riep een zware mannenstem uit de achterkamer.
Een beweging rechts van haar trok haar aandacht. De poten van een grote hond bewogen onrustig in zijn slaap. Hij leek precies op...
‘Kan ik u helpen?’ De man die naar haar had geroepen vanuit de achterkamer kwam de winkel binnen. Dit keer sprong hij niet uit de cabine van zijn truck, waardoor ze even in verwarring werd gebracht.
‘Jij?’ riep Lou met een verbaasde grijns uit.
In een spijkerbroek en denim shirt leek hij niet zo groot als in zijn overall, maar in de winkel was zijn gestalte niettemin indrukwekkend. Het waterglas in zijn hand zag eruit als een borrelglaasje, en zijn schouders waren zo breed dat hij niet door de deuropening zou passen.
‘Ik herkende je niet met je kleren aan,’ grapte ze, maar het klonk veel grappiger als Eric Morecambe het zei.
‘U verwart me waarschijnlijk met mijn broer Tom,’ zei de man. ‘Grote knappe kerel, donker haar? Die van de afvalcontainers?’
Stik! Moest ze zichzelf nou echt tegenover zijn hele familie belachelijk maken?
‘O. Het spijt me.’ Lou begon het warm te krijgen, waardoor ze wist dat ze rood werd. ‘Jullie lijken erg veel op elkaar.’
Ze kon beter zo snel mogelijk ter zake komen. Daarna zou ze naar huis gaan en zichzelf verdrinken. ‘Ik ben op zoek naar katrollen voor een houten droogrek,’ zei ze op zakelijke toon. ‘Ik heb begrepen dat u die dingen verkoopt.’
Toms broer draaide zich om en keek in een paar dozen. Het leek wel of hij op zijn lip beet. Deden ze dat allemaal in zijn familie, mensen uitlachen? Dan moest het daar een dolle boel zijn.
‘Kijk eens aan,’ zei de broer, die zich lang genoeg maakte om een doos van de bovenste plank te pakken. Lou zou klimspullen en zuurstof nodig hebben gehad om erbij te kunnen.
‘Jeetje, dat was snel,’ merkte ze op. ‘Ik had niet verwacht dat u ze zo snel zou vinden, in zo’n volle winkel.’
‘De boel netjes opruimen, dat helpt,’ zei de broer. Hij tikte tegen zijn neus alsof hij een groot geheim verklapte, en dat zou ook zo zijn geweest voordat ze aan haar opruimactie was begonnen.
De man was werkelijk het evenbeeld van Tom. Ze had een paar tweelingen gekend, maar slechts één was een identieke tweeling geweest. Op de lagere school zat ze in de klas bij Robert en Robin Ramskill. Haar juf had hun moeder gevraagd om hen naar school te sturen met iets waaraan ze herkenbaar waren, aangezien ze altijd beweerden de ander te zijn. Ze had voor allebei een trui gebreid met de initialen rr.
‘U heeft een enkele en een dubbele katrol nodig. Ik neem aan dat u het droogrek omlaag wilt kunnen halen en het niet alleen als decoratie wilt laten hangen.’
Lou knikte en Toms tweelingbroer haalde een stuk touw uit een la en haalde dat door de katrollen om haar te laten zien hoe het systeem werkte. Het zag er niet al te ingewikkeld uit. Hij had grote, vlezige handen, schone nagels en hij droeg geen trouwring.
‘Ik heb ook nog iets nodig om het touw aan vast te zetten,’ zei Lou. ‘Hoe heet zo’n ding, met twee eh... poten.’
‘Zo’n ding met twee poten,’ herhaalde hij met een uitgestreken gezicht, ‘heet een kikker. Maar het kwaakt niet.’
‘O,’ zei Lou, die het gevoel had dat ze in de maling werd genomen. ‘Nou, de twee katrollen en een... kikker.’
‘Dat is dan drie pond vijftig,’ zei de naamloze broer.
‘Is dat alles?’ vroeg Lou, die op een tientje had gerekend.
‘U mag wel meer betalen, maar dit is wat het kost,’ zei hij glimlachend. ‘De enkele katrol kost een pond en de dubbele twee pond. En vijftig pence voor de kikker.’
Lou keek hem aan, maar dit keer lachte hij niet, zelfs niet besmuikt. Ze leken te veel op elkaar, en de gedachte kwam bij Lou op dat Tom helemaal geen broer had en dat hij het wel degelijk zelf was. Maar zou hij een grap nou werkelijk zo ver doorvoeren?
Ze gaf hem een briefje van vijf, en hij hield het tegen het licht om het te inspecteren. De brutaliteit, dacht Lou verontwaardigd. Ze had er een hekel aan wanneer mensen dat deden. Meestal waren het verwaande jochies in de supermarkt, die een valse koningin nog niet zouden herkennen als ze een snor had. Zij en Tom hadden grapjes gemaakt over vals geld, maar ze kende deze kerel helemaal niet.
‘Is dat Clooney?’ vroeg Lou terwijl ze met een koel en beheerst ‘dank u’ haar wisselgeld in ontvangst nam. Het was jammer dat de hond sliep. Hij zou haar tenminste niet zo lachwekkend hebben gevonden.
‘Nee, het is zijn broertje uit hetzelfde nest,’ zei de onbeleefde man. ‘De kinderen van mijn zus hebben de hele ochtend met hem gespeeld, dus hij is uit-ge-teld.’
Hij had zelfs dezelfde twinkeling in zijn ogen als Tom, merkte Lou op, maar ze vond hem veel te vrijpostig, dus toen hij naar het kantoortje aan de achterkant ging om een bonnetje voor haar te schrijven, glipte zij de winkel uit. Ze had voorlopig even genoeg van mensen die haar in de maling namen.
==
Er stonden twee berichten op de voicemail toen Lou thuiskwam. Een was van Michelle, die zei dat het een vluggertje was omdat Craig in bad lag, en ja, hij was er en ze hadden het geweldig. Het andere was van haar moeder, om te vertellen dat Victorianna en Edward de Rukker naar een of ander diner gingen waar ook de vicepresident van de Verenigde Staten aanwezig zou zijn (wow – maar niet heus). Die akelige Keith Featherstone had nog steeds niet gebeld. Ze probeerde hem uit haar gedachten te bannen, wat niet gemakkelijk was, maar ze kon hem pas maandag weer bellen.
Ze ging naar de keuken om Phils avondeten klaar te maken: een schuimig soepje van doperwten, lamshaas en luchtige strooppudding met eigengemaakte custard. Ze wilde dat haar man in een goed humeur zou zijn voor wat ze hem ging vertellen.